Leon Van Audenhaege, 95 jaar: "Woluwe, een verloren paradijs"

Publicatiedatum: 
Maandag, 28 augustus 2017 - 10:52

Het leven van de 95-jarige Leon Van Audenhaege kruiste verschillende keren het pad van de koninklijke familie. Als schepen van Sport en Sociale Zaken drukte hij bovendien zijn stempel op Sint-Lambrechts-Woluwe. Een gesprek met de laatste man van zijn generatie, die ondanks zijn leeftijd nog erg fit en monter is. “De Woluwe was vroeger een brede en diepe beek. En ik kan het weten, want ik ben er eens in gevallen.”

Leon Van Audenhaege

Heeft u altijd al in Sint-Lambrechts-Woluwe gewoond?

Leon Van Audenhaege: “Mijn betovergrootvader – de grootvader van mijn grootmoeder – woonde hier al in 1808, ten tijde van de Franse bezetting. Verder terug in de tijd ben ik niet gaan zoeken (lacht).”

“De familie van mijn vader verhuisde van Erwetegem, bij Zottegem, naar Oudergem. Daar leerden mijn ouders elkaar kennen. Mijn vader stierf toen ik anderhalf jaar oud was, mijn moeder keerde terug naar Sint-Lambrechts-Woluwe.”

“Ik groeide op in een van de armste families van Woluwe. Tot ik trouwde, woonde ik 23 jaar lang in een klein huisje zonder stromend water: dat moesten we iedere dag met enkele emmers gaan halen aan het pompje op de straat.”

“Mijn moeder was poetsvrouw. Na haar werk deed ze de was en strijk voor rijke mensen. Op zondag werkte ze in de keuken van een patisserie. Dat allemaal om mij de gelegenheid te geven te kunnen studeren. In mei 1940 moest ik helaas stoppen met de middelbare school.”

Hoe beleefde u de Tweede Wereldoorlog?

Van Audenhaege: “Toen de Duitsers het land binnenvielen, was ik achttien jaar. Als lid van de rekruteringsreserve moest ik zo snel mogelijk naar Roeselare. Om 12 uur ’s middags nam ik met vrienden de trein in het Zuidstation. Pas twaalf uur later kwamen we aan in Oostende. Bij elke bommelding stopte de trein en moest iedereen in de velden schuilen.”

“In Oostende vertelde men ons dat we naar Rouen moesten. We namen eerst de kusttram naar De Panne. Van daaruit gingen we te voet verder. ’s Nachts sliepen we soms buiten in de velden. Hier en daar mochten we op een hooizolder logeren. Uiteindelijk kwamen we in Lourdes terecht.”

“België capituleerde, een tijdje later Frankrijk ook. In Lourdes ontmoette ik een kozijn van mijn vader. Ik kon met hem op de eerste trein terug naar Brussel, samen met de mannen die de spoorweg moesten herstellen. Ik was vijftien kilogram vermagerd. Nadien kon ik bij de gemeente aan de slag. Mijn moeder poetste bij een Finse diplomaat – Finland was op dat moment een bondgenoot van de Duitsers. De man bezorgde me een papier waarop stond dat ik voor hem werkte en dat de Duitsers me niet mochten opeisen. Zo ben ik door de oorlog gekomen.”

Daarna was u twintig jaar lang journalist bij ‘Het Volk’. Hoe bent u daar terechtgekomen?

Van Audenhaege: “Onmiddellijk na de oorlog eindigde ik eerste in het examen om ontvanger van de openbare onderstand van Sint-Pieters-Woluwe te worden, maar de voorzitter van de commissie was ook voorzitter van de fanfare. De persoon die na mij gerangschikt werd, speelde bij de fanfare en kreeg de job. Een geluk bij een ongeluk. Mijn leraar Nederlands op de middelbare school had me gezegd dat ik journalist moest worden. Even later, in 1946, werkte ik al bij Het Volk.”

“Als journalist heb ik onder andere de Koningskwestie van op de eerste rij meegemaakt. Kamerleden en Senatoren waren in de Senaat samengekomen om de troonsafstand van Leopold te bevestigen. Vanuit de publieke tribune gooide iemand een rookbom, voor de tribune van de voorzitter. De zetels vlogen omver, Kamerleden en Senatoren kropen op handen en voeten naar buiten. Jammer dat er toen nog geen televisie bestond. Pas na een kwartier was de orde hersteld.”

“In de namiddag moest Boudewijn de eed afleggen in de Kamer. Toen hij arriveerde, riep iemand heel luid ‘Vive la République’. Ik herkende meteen de zware basstem van Julien Lahaut. Acht dagen later werd hij neergeschoten. Dat was de laatste fase van de Koningskwestie. Maar ik herinner me ook nog levendig de vele manifestaties in Brussel, de auto’s in de Wetstraat die in brand stonden, de gendarmerie te paard, ….”

U heeft twee boeken geschreven over het Koningshuis. Vanwaar die fascinatie voor de monarchie?

Van Audenhaege: “Toen ik een jaar of acht was, vertelde mijn grootvader me iets dat me altijd is bijgebleven. Als schaliedekker moest hij op het einde van de negentiende eeuw het dak van het Koninklijk Paleis renoveren. Terwijl hij op de koer aan het keuvelen was met een collega, dook Leopold II op. Hij vroeg aan mijn grootvader: ‘Wat weet gij van hem te zeggen?’ Later ontdekte ik dat Leopold II en zijn zus altijd over zichzelf in de derde persoon spraken. Eigenlijk bedoelde hij: ‘Wat weet ge over mij te zeggen?’ Hij vroeg zich dus af of mijn grootvader en zijn vriend over hem aan het roddelen waren.”

“Toen we in 1940 op de vlucht waren, stopte er ter hoogte van Rouen een limousine van het Rode Kruis van België naast ons. Naast ons, een vrouw aan het stuur. De zetels vanbinnen waren van rood leer. We mochten instappen. De vrouw voerde ons enkele kilometers naar het zuiden. Later las ik dat Liliane Baels (de tweede vrouw van Leopold III, red.) aan het begin van de oorlog samen met haar ouders in de buurt van Rouen was gepasseerd. Haar moeder was voorzitster van het Rode Kruis van Brugge en Liliane bracht haar vader dikwijls met de wagen naar het golfterrein. Vermoedelijk heb ik een tijdje zonder het te weten bij haar in de auto gezeten.”

“Ik heb haar nadien teruggezien. Ik was toevallig op reportage voor Het Volk in Zwitserland, toen ik telefoon kreeg van de redactiesecretaris van de krant. Ik moest zo snel mogelijk naar de luchthaven, want na jaren in ballingschap zou de koning eindelijk terugkeren naar België. Ter plekke was ik getuige van het afscheid tussen Leopold en Liliane. Ik stond zo kort naast Liliane dat ik haar aan Eerste Minister Duvieusart hoorde zeggen: je vous le confie.”

U schreef een boek over de verhouding van Leopold II met Blanche Delacroix en u bracht ook de affaire van Leopold III met de schaatster Liselotte Landbeck aan het licht.

Van Audenhaege: “Na de dood van zijn vrouw Marie Henriette begon de 65-jarige Leopold II een affaire met de zeventienjarige Blanche Delacroix. De zoon van Leopold II en de jonge Blanche, Lucien, kreeg als adellijke titel ‘hertog van Tervuren’. Dat intrigeerde me, want ik heb zelf nog een tijdje in Tervuren gewoond. Lucien Delacroix was ooit hotelier in Cambo-les-Bains, een gemeente in Frans Baskenland. Ik ben hem daar gaan opzoeken: een erg sympathieke man, uiterlijk even imposant als Leopold II.”

“Onlangs kreeg ik nog telefoon van een journaliste uit Canada, op zoek naar mijn boek over Leopold II. Maar het is bijna nergens meer te vinden.”

“De Oostenrijkse schaatster Liselotte Landbeck heb ik goed gekend. Ze trouwde met Robert Verdun, een Antwerpenaar die ook schaatste. In de winter van 1939-1940 kreeg Louis De Ridder, de technisch directeur van de ijsbaan van Antwerpen, een telefoontje uit Laken. Of er niemand naar Laken kon komen om schaatsles te geven aan de jonge Joséphine-Charlotte, Boudewijn en Albert? De Ridder vroeg het aan Robert Verdun, maar die verwees hem door naar zijn vrouw. Even later werd Liselotte met de auto opgehaald. ’s Avonds belde ze naar huis met de boodschap: ‘Men vraagt mij of ik hier mag blijven voor de kinderen.’ Zo kwam ze in contact met Leopold III, die na het tragische ongeluk in Küssnacht al enkele jaren weduwnaar was.”

“Hoe ik dat allemaal te weten ben gekomen? Via Louis De Ridder! Hij heeft lang bij ijsbaan Poseidon gewerkt. ‘Kijk eens wie daar aan het schaatsen is!’, zei hij. ‘Dat is Liselotte Landbeck.’ Ik heb enkele keren met haar gepraat. ‘Het schijnt dat gij les hebt gegeven aan de prinsen?’, vroeg ik. ‘Ja,’ antwoordde ze. ‘Heeft u daar foto’s van gemaakt?’ ‘Ja.’ ‘Zou ik daar ook een exemplaar van mogen hebben?’ ‘On n’apprécierait pas,’ antwoordde ze. Maar op een dag kwam ze mij opzoeken in mijn bureau op de ijsbaan. ‘Je vais vous présenter ma fille,’ zei ze. Haar koninklijke dochter leek als twee druppels water op Leopold III!”

Als journalist woonde u het moment bij waarop Koningin Fabiola aan de pers werd voorgesteld.

Van Audenhaege: “Het was de wens van de zeer katholieke Boudewijn om met een Spaanse vrouw te huwen. Een Ierse vrouw, een gewezen non, heeft hem geholpen met de zoektocht. Zij heeft Fabiola gevonden in Spanje. Boudewijn en Fabiola kenden elkaar al lang, maar ze hebben tot de laatste minuut gewacht om haar voor te stellen aan de pers.”

Waarom hebben ze daar zo lang mee gewacht?

Van Audenhaege: “Leopold, de vader van Boudewijn, was tegen dat huwelijk. Emiel Van Cauwelaert, een collega bij Het Volk, zei me dat Leopold tot de laatste minuut had getracht om dat huwelijk te voorkomen. Hij stuurde Liliane Baels op Fabiola af om haar daarvan te overtuigen. Zo heeft Liliane het verkorven bij haar stiefzoon. Boudewijn had na zijn huwelijk nog wel eens contact met zijn vader, maar Liliane wou hij niet meer zien.”

U was revisor van het beknopt verslag in het federaal parlement belandde en belandde tevens in de gemeentepolitiek. Als schepen van Sport ligt u onder andere aan de basis van het Fallonstadion en het sportcomplex met schaatsbaan Poseidon. Hoe ging dat in zijn werk?

Van Audenhaege: “De grond van het Fallonstadion werd door de gemeente gekocht in het jaar dat ik ben geboren, voor twee frank per meter, op voorwaarde dat er binnen de vijf jaar van het ondertekenen van de authentieke akte een stadion op werd gebouwd. Toen ik schepen werd, was er nog steeds geen stadion. ‘Je hebt nog drie maanden om daar een voetbalstadion op te leggen’, zeiden ze! Wel, dat is gelukt, dankzij de ijverige werkmannen van de gemeente. De eigenaars van de grond, die in tussentijd veel meer waard was geworden, zijn nog naar de rechtbank gegaan, maar te laat. In december speelde White Star in het Fallonstadion een voetbalmatch tegen het Franse Valenciennes.”

“Ik wilde zelf graag een ijsbaan in de gemeente, maar burgemeester en schepenen wilden er niets van weten. Ik heb ze dan maar privé gebouwd. Vandaag is het nog steeds de enige ijsbaan in Brussel.”

“Twee dagen na de inhuldiging al kwamen prins Albert, prins Paola en hun drie kinderen Filip, Astrid en Laurent op bezoek. De prinsjes schaatsten aan de hand van enkele meisjes. Door het succes van Poseidon waren er op korte tijd veertien nieuwe ijsbanen in België. Bij de opening van de ijsbaan in Herentals werd Poseidon door de minister geroemd, omdat wij het goede voorbeeld hebben gegeven. Mijn vrouw kreeg zelfs een bos bloemen van hem.”

“Als schepen van Sociale Zaken heb ik voor de bejaarde mensen de vereniging Zonnige Herfst opgericht. Daarmee hebben we onder andere de kelder van theater Toone bezocht. We zijn ook eens met veertig autobussen naar zee geweest, naar Italië en de Azurenkust.”

Vond u Sint-Lambrechts-Woluwe vroeger mooier dan vandaag?

Van Audenhaege: “Zonder twijfel. De Woluwe was vroeger nog een brede en diepe beek, want al het regenwater kwam er in terecht, er waren geen rioleringen. Die beek kronkelde mooi door het landschap, aan de oevers stonden heel wat knotwilgen. We gingen vaak te voet van Woluwe naar Kraainem: een erg mooie wandeling.”

“Oud-Woluwe telde veel cafés en danszalen. In alle cafés werd er gedanst. Dat zie je nu niet meer. Met Toneelkring Onder Ons gingen we in sommige van die zalen toneelspelen. De Alliance op het Sint-Lambertusplein is vandaag het oudste café van Woluwe.”

Wat vindt u van het Woluwe van vandaag?

Van Audenhaege: “Ik zou toch liever aan zee wonen (lacht). We hebben hier de slechtste lucht van heel Brussel. De dominerende winden komen uit het westen over Brussel naar hier.”

“Sint-Pieters-Woluwe, Oudergem en Bosvoorde genieten nog van het groen van het Zoniënwoud, Sint-Lambrechts-Woluwe niet. En dan zitten we ook nog eens ingesloten tussen de autosnelweg naar Luik, de Tervurenlaan en de Woluwelaan.”

In uw roman ‘De Vuilstraat’ noemde u Woluwe een ‘verloren paradijs’.

Van Audenhaege: “Voor mensen van mijn leeftijd is Woluwe zeker een verloren paradijs. Maar hoeveel blijven er nog over?”

“Tien jaar geleden zat ik iedere zondag met vier vrienden in de bistro van Op-Weule. Alle vier weduwnaars. Maar nu zijn mijn vrienden er ook niet meer. Ik ben de enige overlevende, de last man standing (lacht).”

 

Interview: Ken Lambeets

Fotogalerij: 
Leon Van Audenhaege
Leon Van Audenhaege2